Afgeleid verblijfsrecht voor de derdelander ouder?

Bij uitspraak van de Rechtbank te Den Haag, nevenzittingsplaats Arnhem gewezen op 26 februari 2015 (verzonden op 28 februari 2015) onder nummer AWB 14/27809 is bepaald dat een derdelander ouder niet bij haar minderjarige kinderen die de EU-nationaliteit hebben verblijven, omdat de kinderen ‘onderhoudsplichtig’ zijn voor hun ouder.

De kinderen hebben de Duitse nationaliteit en wonen in Nederland. De moeder is een derdelander en heeft geen verblijfsrechten. De moeder en de kinderen doen een beroep op de richtlijn 2004/39 waarbij de kinderen het recht hebben om zich te verplaatsen binnen de EU. De kinderen zijn minderjarig en kunnen niet in hun eigen levensonderhoud voorzien, laat staan die van hun moeder.

De aanvraag voor een verblijfsrecht wordt afgewezen, omdat de moeder ten laste komt van de kinderen en de kinderen kunnen geen financiële middelen genereren om voor hun moeder te zorgen. De rechtbank volgt de IND in haar standpunt dat de aanvraag afgewezen kan worden, omdat de moeder financieel afhankelijk zou zijn van de kinderen en heeft de volgende overwegingen genomen:

‘’ De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of het familielid ten laste komt van de burger van de unie bij wie zij in de gastlidstaat wil verblijven als peilmoment het moment van de aanvraag geldt. De rechtbank verwijst hiervoor naar het arrest Flora May Reyes van 16 januari 2014, zaak C-424/12 van het Hof waarin het volgende is overwogen ; ‘’30. In dit verband moet worden vastgesteld dat de situatie van afhankelijkheid moet bestaan in het land van herkomst van het betrokken familielid op het ogenblik dat hij verzoekt om zich te mogen voegen bij de burger van de Unie te wiens laste hij is’’.’’

Vervolgens, in rechtsoverweging 10; ‘’ De rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij zich op het moment waarop zij verzocht om verblijf bij haar dochters (die gemeenschapsonderdanen zijn) in een situatie van financiële afhankelijkheid bevond, in die zin dat zij van (één van ) hen financiële ondersteuning ontving om in haar basisbehoeften te kunnen voorzien.’’

Voorts in rechtsoverweging 11: ‘’Verweerder heeft op grond van het voorgaande terecht geoordeeld dat eiseres niet kan worden aangemerkt als familielid dat ten laste komt van de burger van de Unie in de zin van artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder d, Vb 2000. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht het standpunt ingenomen dat eiseres niet in aanmerking komt voor afgifte van een document als bedoel in artikel 9, eerste lid Vw 2000.’’

Er is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, omdat de uitspraak onjuist en onredelijk is.

De rechtbank gaat volledig voorbij aan de rechten die de Unieburgers ontlenen aan artikelen 20 en 21 VWEU. In casu is het onevenredig en disproportioneel om van de minderjarige kinderen, thans 9 en 10 jaar oud, te verwachten dat zij hun moeder kunnen voorzien in basisbehoefte. Dit is een zeer onrealistische voorwaarde, waar, in casu, nooit aan zal kunnen worden voldaan. Dit brengt een schending van de rechten van de Europese Unieburgers met zich mee, wegens het feit dat de kinderen hun unierechten, in dit geval vrij verkeer van personen, niet kunnen gebruiken. Dat de moeder nu niet kan werken zonder een rechtmatig verkregen verblijf is geen verwijt, maar een feit ‘van algemeen bekendheid’. De moeder kan in haar geval dus niet werken omdat zij geen rechtmatig verblijf heeft. Geen werk staat gelijk aan geen inkomsten zonder beroep op de openbare kas. Zolang de IND geen verblijfsvergunning verleent zal de ‘mogelijkheid’ om beroep te doen op de openbare kas ook nooit verdwijnen.

Zo is er sprake van een cirkelredenering en worden de ruime Europese regels, die in vele opzichten niet correct zijn omgezet naar nationale wetgeving, aan de laars gelapt.


Heeft u een vraag over dit onderwerp of bent u bent benieuwd wat wij voor u kunnen betekenen? Neem dan gerust contact op.

Gerelateerde blogs

Het arrest Chavez-Vilchez, Unieburgerschap en de rechten van het kind

Bekijk alle blogberichten

Zo kan het dus ook

Waarom Omnius?

Rechtzoekenden verwachten transparantie, servicegerichtheid en duidelijkheid over tarieven. Omnius voldoet aan die behoeften en maakt de juridische dienstverlening voor een brede groep ondernemers en particulieren toegankelijk.

Om u te voorzien van het beste advies werkt Omnius volgens de formule van trapsgewijze juridische hulp. Eerst legt u de hulpvraag kosteloos en vrijblijvend voor aan de intakebalie. Dat kan zeven dagen per week. Samen zoeken we naar het beste antwoord op uw vraag. Soms volstaat een digitale oplossing. Een andere keer is het beter om een advocaat in te schakelen. Verwacht altijd duidelijkheid over afspraken en tarieven.

  • 7 dagen per week bereikbaar

    Ook ’s avonds en in het weekend
  • Omnius Keurmerk

    Uw garantie voor service en kwaliteit
  • Juridische hulp in elke situatie

    Van eerstelijns advies tot bijstand van een gespecialiseerde advocaat
  • Overal in Nederland

    Het grootste juridische netwerk van Nederland met 350 advocaten
  • Als beste beoordeeld

    Op basis van 1784 beoordelingen van door ons geholpen rechtzoekenden

Over ons

Met onze vooruitstrevende diensten en digitale oplossingen willen we het verschil maken in de – soms nog ouderwetse – juridische branche. De Omnius-formule heeft ervoor gezorgd dat we zijn uitgegroeid tot het grootste en meest succesvolle advocatennetwerk van het land.

In totaal hebben 260 advocaten en 80 kantoren zich bij ons aangesloten. Om de kwaliteit te waarborgen en de rechtzoekende ervan te verzekeren dat we onze beloftes nakomen, hebben we het Omnius Keurmerk in het leven geroepen. Het hoofdkantoor is te vinden in Utrecht, waar zo’n 45 medewerkers hun best doen om u te voorzien van de beste juridische hulp.

Er zijn advocaten gevonden.

Klik hier voor de resultaten.